| Lessen |
Lesdoelen |
Begrippen |
| De
school |
| 1. Een klas in
Alphen aan den Rijn |
-
De kinderen zien hoe het klaslokaal van
groep 5 van De Wereldwijzer is ingericht.
-
De kinderen zien hoe de tafels staan,
waar het bord is enz.
- De kinderen herkennen de inrichtings-elementen, ook als ze
van bovenaf worden gezien.
|
|
| 2. Lezen in
de gymzaal |
-
De kinderen kunnen verklaren waarom in
een school verschillende ruimten zijn
-
De kinderen herkennen een ruimte in de
school aan de inrichting.
-
De kinderen weten dat de inrichting van
een ruimte bepaalt wat je er kunt doen.
- De kinderen herkennen de school in een opengewerkte,
driedimensionale tekening.
|
-
Ruimte
-
Klaslokaal
-
Schoolplein
- Verdieping
|
| 3. Een school
in Zwammerdam |
|
|
| 4.
Plattegrond |
-
De kinderen weten wat een plattegrond is
en kunnen die lezen.
-
De kinderen weten wat een legenda is en
waarvoor die dient.
-
De kinderen zien hoe je in vier stappen
van een realistische tekening naar een plattegrond komt.
- De kinderen leggen zelf door te kleuren het verband tussen
de legenda en de onderdelen van een plattegrond.
|
|
| De
buurt |
| 1. Van school
naar huis |
|
-
Buurt
-
Park
-
Verkeersdrempel
-
Winkelcentrum
-
Glasbak
- Supermarkt
|
| 2. De buurt
vanuit de lucht |
|
|
| 3. Een andere
buurt |
-
De kinderen herkennen overeenkomsten in
inrichting tussen verschillende buurten.
-
De kinderen zien dat in woonwijken
allerlei voorzieningen zijn, zoals (basis)scholen,
speelveldjes, verkeersdrempels, glasbakken.
-
De kinderen zien dat een woonwijk een
geheel is, dat komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de
straatnaamgeving.
- De kinderen kunnen zich vanaf een plattegrond een
voorstelling van de werkelijkheid maken
|
-
Trapveldje
-
Woonerf
-
Zebra
-
Bushalte
-
Brievenbus
-
Telefooncel
- Vuilcontainer
|
| 4. Buiten
spelen |
-
De kinderen worden zich ervan bewust wat
ze allemaal buiten doen.
-
De kinderen ontdekken een verband tussen
de inrichting van de buiten-omgeving en hun eigen
activiteiten.
-
De kinderen inventariseren waar ze buiten
spelen en welke spelletjes ze dan doen.
- De kinderen waarderen hun omgeving op de mogelijkheid om
buiten te spelen
|
-
Speelveld
-
Stoep
-
Natuur
-
Tuin
-
Bos
|
| Winkelen |
| 1. Winkelen
in Alphen aan de Rijn |
|
-
Winkelstraat
-
Centrum
-
Winkel
- Woonplaats
|
| 2. Winkels in
het centrum |
-
De kinderen weten welke soorten winkels
vooral in het centrum zijn en welke vooral in
woonwijken.
-
De kinderen weten waarom winkels zich in
het centrum bevinden.
-
De kinderen weten dat winkels mensen waar
af en toe komen gemakkelijk te vinden moeten zijn.
- De kinderen kunnen op een plattegrond aangeven in welk
kaartvak een bepaalde voorziening is te vinden.
|
|
| 3. Winkelen
in Groningen |
-
De kinderen herkennen in de stad
Groningen winkelvoorzieningen die vergelijkbaar zijn met die
in Alphen aan den Rijn.
-
De kinderen zien dat de Herestraat in het
centrum van Groningen ligt.
-
De kinderen zien dat de Herestraat is
ingericht als winkelcentrum.
- De kinderen zien dat in de Herestraat veel filialen van
landelijke winkelketens zijn.
|
Topografie:
|
| 4. Winkelen
op straat |
-
De kinderen weten dat er verschillende
soorten markten zijn en waarom mensen daar kopen.
-
De kinderen kennen de verschillen tussen
markt en winkel.
-
De kinderen kennen de begrippen markt en
verkoper.
- De kinderen weten dat mensen naar de markt gaan voor
de gezelligheid en de lagere prijzen.
|
|
| De
kerk |
| 1. De kerk in
het centrum |
|
|
| 2. In de kerk |
|
|
| 3. In de
moskee |
-
De kinderen herkennen de belangrijkste
overeenkomsten en verschillen tussen (christelijke)
kerken en moskeeën.
-
De kinderen weten dat in een moskee
gelovigen samenkomen om te bidden en naar uitleg over het
geloof te luisteren.
-
De kinderen weten wat een minaret is en
waarvoor die dient.
- De kinderen weten dat er in Nederland verschillende
godsdiensten zijn, die allemaal hun eigen gebedshuis hebben
|
|
| 4. Een kerk
en toch geen kerk |
|
|
| Vroeger
en nu |
| 1. Oud en
nieuw in één stad |
|
|
| 2. De stad
groeit |
-
De kinderen weten waardoor Alphen aan den
Rijn (evenals andere woonkernen) in de afgelopen vijftig jaar
sterk is gegroeid.
-
De kinderen kunnen een oude en een nieuwe
kaart met elkaar vergelijken.
-
De kinderen weten dat een plaats groeit
doordat de bevolking groeit.
-
De kinderen weten dat werk mensen
aantrekt en daardoor voor groei van een plaats zorgt.
- De kinderen weten dat nieuwe bebouwing rondom oudere
bebouwing wordt geplaatst.
|
-
Wonen
-
Bedrijf
-
Fabriek
-
Werken
-
Nieuwbouw
-
Bebouwing
- Bedrijventerrein
|
| 3.
Hardegarijp groeit ook |
-
De kinderen herkennen het verschil tussen
oud en nieuw in een plattelandsdorp, te weten Hardegarijp.
-
De kinderen kunnen een oude en een nieuwe
kaart met elkaar vergelijken.
-
De kinderen zien dat Hardegarijp
(relatief) fors is gegroeid.
- De kinderen weten dat veel van de nieuwe inwoners van
Hardegarijp daar zijn gaan wonen vanwege de rust en niet omdat
ze daar werken.
|
Topografie:
|
| 4. Halte
Castellum |
-
De kinderen ontdekken dat ze zich (onder
andere) dankzij opgravingen een beeld kunnen vormen van hoe
een gebied er heel vroeger uit kan hebben gezien.
-
De kinderen weten dat de (Oude) Rijn de
grens van het Romeinse Rijk is geweest.
- De kinderen weten dat er een Romeins fort stond op de plaats
waar nu Alphen aan den Rijn ligt.
|
|
| Het
station |
| 1. In en om
het station |
-
De kinderen nemen waar wat er op en rond
een station allemaal is te zien.
-
De kinderen zien dat er op een station
veel mensen komen.
-
De kinderen zien dat er op een station
verschillende soorten vervoer samen komen: trein, bus,
taxi, auto, fiets.
- De kinderen kunnen onderscheid maken tussen openbaar vervoer
en eigen vervoer.
|
|
| 2. Veel
soorten reizigers |
-
De kinderen weten dat je op een station
van vervoermiddel kunt wisselen.
-
De kinderen weten dat mensen voorafgaand
aan of aansluitend op hun treinreis met auto, bus of
taxi het station bereiken of juist verlaten.
-
De kinderen weten dat op een station
voorzieningen zijn voor reizigers.
-
De kinderen kunnen op een plattegrond van
Alphen aan den Rijn routes naar het station aangegeven.
- De kinderen kunnen routekaarten van het openbaar
vervoer gebruiken.
|
Topografie:
-
Leiden
-
Utrecht
-
Gouda
-
Den Haag
-
Zoetermeer
-
Leiderdorp
-
Zegveld
-
Hazerswoude
-
Amsterdam
|
| 3. Niet alle
stations zijn hetzelfde |
|
Topografie:
|
| 4. Wegwijs op
het station |
|
Topografie:
-
Leiden
-
Bodegraven
-
Woerden
-
Vleuten
-
Utrecht
-
Den Haag
-
Zoetermeer
-
Gouda
-
Waddinxveen
- Boskoop
|
| Het
Groene Hart |
| 1.
Midden in het groen |
-
De kinderen zien dat het Groene
Hart verschillende functies heeft.
-
De kinderen kunnen afstanden berekenen
met een schaalstok (liniaal).
-
De kinderen zien dat er op het platteland
weinig bebouwing en veel groen is.
-
De kinderen zien dat 0p het platteland
boerderijen staan waar boeren hun werk hebben.
-
De kinderen zien dat er op het platteland
plaats voor natuur is ingeruimd.
- De kinderen zien dat mensen op het platteland ontspanning
zoeken.
|
Topografie
-
het Groene Hart
-
Alphen aan den Rijn
-
Nieuwkoop
- Nieuwkoopse Plassen
|
| 2. Leven in
het Groene Hart |
-
De kinderen weten wat met de Randstad en
het Groene Hart bedoeld wordt.
-
De kinderen weten waarom het Groene Hart
belangrijk is.
-
De kinderen kunnen op een kaart de
Randstad en het Groene Hart aanwijzen.
-
De kinderen weten dat het Groene Hart
belangrijk is voor de landbouw (veeteelt).
-
De kinderen weten dat veel mensen uit de
Randstad in het Groene Hart hun vrije tijd doorbrengen.
-
De kinderen weten dat er in het Groene
Hart veel (beschermde ) natuur is.
|
Topografie:
-
het Groene Hart
-
de Randstad
-
Alphen aan den Rijn
-
Rotterdam
-
Den Haag
-
Amsterdam
- Utrecht
|
| 3. Het groene
Flevoland |
-
De kinderen herkennen de functies
landbouw, natuur en recreatie in een ander plattelandsgbied,
te weten Flevoland.
-
De kinderen zien dat er in Flevoland veel
akkerbouw is.
-
De kinderen zien dat er in
Flevoland een groot gebied is geruimd voor de natuur.
-
De kinderen zien er in Flevoland
recreatievoorzieningen zijn getroffen.
-
De kinderen kunnen vanaf een (relatief)
kleinschalige kaart met behulp van een schaalstok afstanden
berekenen.
|
Topografie
-
Flevoland
-
IJselmeer
-
Almere
-
Lelystad
-
Dronten
-
Swifterbant
-
Ketelhaven
-
Biddinghuizen
-
Elburg
-
Kampen
|
| 4. Het Groene
Hart krimpt |
-
De kinderen zien dat stedelijke groei ten
koste gaat van de groene ruimte.
-
De kinderen wegen de belangen van
stedelijke groei, landbouw en natuur tegen elkaar af.
-
De kinderen kunnen een oude en een nieuwe
kaart van hetzelfde gebied met elkaar vergelijken en de
opvallendste verschillen noemen.
- De kinderen kunnen verklaren dat de groene ruimte in
Nederland steeds kleiner wordt doordat de bevolking
groeit.
|
Topografie:
-
het Groene Hart
-
de Randstad
-
Alphen aan den Rijn
-
Rotterdam
-
Den Haag
-
Amsterdam
- Utrecht
|
| De
vier grote steden |
| 1. De
havenstad Rotterdam |
|
Topografie:
|
| 2. Van
vissersdorp naar havenstad |
-
De kinderen weten waarom Rotterdam een
grote en belangrijke (haven)stad is geworden.
-
De kinderen weten dat Rotterdam zelfs
voor de allergrootste zeeschepen goed te bereiken is.
-
De kinderen weten dat goederen vanuit
Rotterdam over de riveiren verder vervoerd worden,
bijvoorbeeld naar Duitsland.
-
De kinderen weten dat Rotterdam ook veel
weg- en spoorverbindingen heeft.
- De kinderen weten dat er in Rotterdam veel
olieraffinaderijen zijn.
|
Topografie:
|
| 3. De vier
grote steden van Nederland |
-
De kinderen kennen de vier grote steden
en weten waarom ze groot zijn geworden.
-
De kinderen weten dat Rotterdam
belangrijk is als havenstad.
-
De kinderen weten dat Amsterdam
belangrijk is als handelsstad en hoofdstad.
-
De kinderen weten dat Den Haag
belangrijk is als bestuurscentrum.
- De kinderen weten dat Utrecht belangrijk is als centraal
verkeersknooppunt.
|
|
| 4. Wonen in
Amsterdam |
-
De kinderen zien dat Amsterdam veel
gezichten heeft.
-
De kinderen weten waarom mensen graag in
Amsterdam wonen..
-
De kinderen weten dat in Amsterdam
veel te beleven valt.
-
De kinderen weten dat in Amsterdam veel
verschillende woonwijken en soorten woningen zijn.
-
De kinderen weten dat in Amsterdam mensen
met heel verschillende nationaliteiten en culturen bij elkaar
leven.
- De kinderen kunnen de plattegrond van de metro lezen.
|
-
Tram
-
Museum
-
Flat
-
Kade
-
Gracht
Topografie
|
| Rivierenland |
| 1. De Oude
Rijn |
-
De kinderen zien dat Alphen aan den
Rijn langs de Oude Rijn ligt.
-
De kinderen zien dat op en om de rivier
allerlei activiteiten plaatsvinden.
-
De kinderen zien dat aan en op de rivier
wordt gewerkt.
-
De kinderen zien dat aan en op de rivier
wordt gerecreëerd.
- De kinderen zien dat aan en op de rivier wordt gewoond.
|
Topografie:
-
Oude Rijn
-
Gouwe
-
Heimanswetering
-
Aarkanaal
-
Zwammerdam
-
Bodegraven
-
Boskoop
-
Leiden
-
Woubrugge
- Ter Aar
|
| 2. Het
stroomgebied van de Rijn |
-
De kinderen weten dat de Rijn in de
bergen ontspringt en in de zee uitmondt.
-
De kinderen weten dat de Rijn een
gecombineerde smelt- en regenwaterrivier is.
-
De kinderen weten dat de Rijn gevoed
wordt door zijrivieren.
- De kinderen weten dat de Rijn zich in Nederland
vertakt en dat die vertakkingen verschillende namen hebben.
|
-
Stroomgebied
-
Berg
-
Meer
-
Dal
-
Vertakking
-
Landschap
Topografie
-
Zwitserland
-
België
-
Duitsland
-
Rijn
-
Nederrijn
-
Waal
-
IJsel
-
Lek
-
Oude Rijn
-
Kromme rijn
-
Noordzee
-
Waddenzee
-
IJselmeer
-
Keulen
-
Arnhem
-
Nijmegen
- Zwolle
|
| 3. De drie
grote rivieren |
|
-
Sneeuw
-
Regenrivier
-
Rivierenland
Topografie:
-
Rijn
-
Maas
-
Schelde
-
Antwerpen
- Maastricht
|
| 4. Nog meer
water in Nederland |
-
De kinderen weten dat er in Nederland
veel rivieren,, meren en kanalen zijn.
-
De kinderen weten dat mensen kanalen
hebben gegraven als transportwegen over water.
-
De kinderen weten dat mensen het
landschap veranderen om zich te beschermen tegen het
water.
- De kinderen weten dat mensen het landschap veranderen om
beter gebruik te kunnen maken van het water
|
|
|
|
|