Cor Bakker. - Frappant 34 maart 2008

In de kwaliteitsagenda primair onderwijs, voorlopig maar weer even de kapstok voor onderwijsinnovatie, wordt nadrukkelijk de ambitie uitgesproken, de leerprestaties van alle leerlingen op het gebied van taal en rekenen te verbeteren. En met ‘alle leerlingen’ worden ook alle leerlingen bedoeld, dus ook de leerlingen met speciale onderwijsbehoeften. Elders in de agenda wordt scholen geadviseerd ‘meer opbrengstbewuste keuzes te maken voor op leerlingen toegesneden en bewezen effectieve methodieken’. Het LISBO-project wordt in dat kader met name genoemd, en dat komt goed uit want Cor Bakker, taalspecialist, wilde net een aantal ervaringen met u delen, namelijk die van twee SBO scholen.
Klavervier (Beuningen) en de Bolster (Wijchen) zijn scholen voor speciaal basisonderwijs. Zij verzorgen onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden, aan moeilijk lerende kinderen en aan kleuters met ontwikkelingsproblemen. De Bolster werkt sinds enkele jaren met Teamonderwijs op Maat (TOM) in units. De publicatie van de resultaten van het LISBO-project en de onvrede over het eigen technisch leesonderwijs vormden voor deze SBO-scholen aanleiding om met kracht te gaan werken aan de verbetering van het technisch leesonderwijs. ‘Er was al enige tijd ontevredenheid onder de collega’s over ons voortgezet technisch leesonderwijs. We lazen nog in ‘ouderwetse’ leesniveaugroepjes en schakelden daarbij ouders in. Maar bij een aantal leerlingen bleef het rendement uit, waarschijnlijk door gebrek aan goede instructie en begeleiding. Het bijwonen van studiedagen over taal/lezen en dyslexie maakte ons, IB-ers, enthousiast over het LISBO-project’, vertellen de interne begeleiders Ingrid Peters Sengers en Mirjam van den Berg van Klavervier. Voor het team van de Bolster viel er een aantal zaken samen. De interne begeleiders Ria van Grinsven en Mieke Bohlander: ‘Vanuit het werken met TOM wilden we met het gehele team één onderwerp aanpakken. We hadden op dat moment geen goede methode voor voortgezet technisch lezen en hebben voor Estafette gekozen. En tijdens het inspectiebezoek attendeerde de inspecteur ons op het LISBO-project. Nog geen maand later viel de uitnodiging van jullie op de deurmat.’
Leesverbeteraanpak
Het project bestaat feitelijk uit het doelgericht en tegelijkertijd inzetten of beïnvloeden van factoren die leessucces vergroten. Het is een aanpak om het lezen te verbeteren, gebaseerd op de onderstaande pijlers:
1. Doelgericht leesonderwijs
De scholen nemen het doel uit het LISBO-project over: 90% van de kinderen gaat minstens twee AVI-beheersingsniveaus per jaar vooruit.
2. Voldoende tijd aan lezen besteden
Leertijd is een factor die van grote invloed is op de leesontwikkeling van kinderen. De Bolster en Klavervier hebben er voor gekozen 150 - 180 minuten leertijd in te zetten voor technisch lezen. De kinderen moesten AVI-1 of 2 beheersen om te starten in de methodieken.
3. Gebruik van goede methodieken
De Bolster is aan de slag gegaan met de methode Estafette. Klavervier gebruikte al Leeslijn en heeft het Plus-materiaal aangeschaft. De invoeringstrajecten zijn rond de herfstvakantie 2007 gestart. Beide scholen werken ook met RALFI en/of Connect vloeiend lezen, ontwikkeld door Anneke Smits. De Ralfi-aanpak is sterk leerkrachtgestuurd en vooral bruikbaar voor oudere leerlingen die uiterst zwak lezen en in onvoldoende mate profiteren van de methode Estafette of van Leesweg Plus.
4. Het versterken van de deskundigheid van de leerkracht
Hierbij gaat het om de kwaliteit van de leesinstructie, de kennis van leesdidactiek en het goed omgaan met het organisatiemodel van Estafette en Leesweg Plus. Met name een SBO-leerling heeft een leerkracht nodig die (enthousiast) uitlegt, voordoet, hardop denkt, helpt bij het toepassen, duidelijke neutrale feedback geeft en veel aandacht besteedt aan het oefenen om tekst te leren automatiseren. Beide scholen hebben het activerende directe model gebruikt. De kinderen zijn op basis van toetsresultaten in kleine groepjes ingedeeld en klassenbezoeken en teambijeenkomsten gaven ondersteuning in het gebruik van de methode en het juist toepassen van het instructiemodel. Voor de goede lezers werd een eerste aanzet gemaakt voor een passend leesaanbod qua tekstsoort en interesse.
5. Monitoren van de leesresultaten
Op basis van de DMT en de AVI-toetsen gaven de IB-ers aan de leerkrachten feedback over het verloop van het ingezette proces: profiteren de kinderen in voldoende mate van deze aanpak? Gaan de leerlingen de gestelde doelen halen? Zo kon worden nagedacht over gewenste interventies en, evenzo belangrijk, konden de leerkrachten succes ervaren als ze hun leerlingen vooruit zagen gaan!
6. School is eigenaar van de schoolontwikkeling
De school is eigenaar van het leesproject en daarmee verantwoordelijk voor de verankering van de werkwijze en de afspraken. Dat maakt de positie van de interne begeleiders en de directeur cruciaal. ‘Wij, als interne begeleiders, hebben het project aangestuurd en met behulp van Marant het invoeringstraject uitgezet en uitgevoerd. We hebben teamleden geïnformeerd, geënthousiasmeerd en zaken tussentijds geëvalueerd. We zijn betrokken bij de klassenobservaties, hebben de voortgang in kaart gebracht, individuele leerkrachten ondersteund en de toetsresultaten teruggekoppeld.’ Literatuur over ‘onderwijskundig leiderschap’ wijst uit dat de rol van de directeur van groot belang is voor het welslagen van de schoolontwikkeling. In de context van LISBO betekent dat:
- het uitdragen van de visie voor goed leesonderwijs;
- het stellen van hoge leesdoelen;
- voldoende leertijd in het rooster voor lezen garanderen;
- aanschaffen van goede leesmethoden;
- controle en toezicht houden op gemaakte afspraken;
- het monitoren van leesresultaten;
- vaardigheidsontwikkeling van leerkrachten ondersteunen en faciliteren.
Ervaringen?
Er is bij de scholen grote tevredenheid over het werken met de gekozen methoden. Leerkrachten vinden de Leesweg-plus plezierig. Door gerichte instructie en begeleiding in kleine groepen hebben zij het gevoel op een veel zinvollere manier bezig te zijn met technisch lezen (‘De bemensing van de verschillende groepen kost ons soms wel de nodige hoofdbrekens.’). De lessen zijn afwisselend en de kinderen zijn meer gemotiveerd. Onderdelen als vrij lezen en het voordrachtslezen dragen hiertoe bij. Ook over het werken met Estafette is men enthousiast. De methode en de handleiding zijn duidelijk en de manier van werken in kleine instructiegroepen is plezierig. De kinderen krijgen aandacht, veel leesbeurten, ze oefenen en tonen betrokkenheid bij hun eigen leesproces. ‘In het portfolio staat welk niveau het kind beheerst en op welk niveau het kind oefent. Zo geven we de kinderen inzicht in de eigen vorderingen.’
En de opbrengst?
De ambitie van beide scholen was: 90% van de kinderen gaat minstens twee AVI-beheersingsniveaus per jaar vooruit.
Op de Klavervier hebben 52 leerlingen één jaar leesonderwijs met Leesweg-plus gekregen. Er zijn 4 leerlingen niet gevorderd. Veertien leerlingen zijn 1 AVI-niveau, 13 leerlingen 2 AVI-niveaus, 10 leerlingen 3 AVI-niveaus, 8 leerlingen 4 AVI-niveaus, 1 leerling 5 AVI-niveaus en 2 leerlingen 6 AVI-niveaus vooruitgegaan. Onder de veertien leerlingen die 1 AVI-niveau zijn gestegen zijn 5 kinderen die al op AVI-8 zaten toen zij met de methode gingen werken. Dus niet meer niveaus vooruit konden gaan. Als we deze leerlingen weglaten is ongeveer 80 % van de leerlingen twee of meer AVI’s gevorderd.
Op de Bolster hebben 72 leerlingen 8 maanden tot een geheel jaar met Estafette gewerkt. Eén leerling is niet gevorderd. Vijfentwintig leerlingen (waaronder 11 leerlingen die al AVI 8 beheersten) zijn 1 AVI-niveau, 16 leerlingen 2 AVI-niveaus, 20 leerlingen 3 AVI-niveaus, 6 leerlingen 4 AVI-niveaus en 4 leerlingen 5 AVI-niveaus vooruitgegaan. Ongeveer 80% van de leerlingen hebben het beoogde resultaat gehaald.
Naast dit indrukwekkende lijstje is er nog meer bereikt dat minstens zo belangrijk is: gemotiveerde leerkrachten en betrokken leerlingen. De teams zijn met recht trots op de bereikte resultaten; ze hebben een flinke stap gezet in de richting van de geformuleerde ambitie.
Ten slotte
Dit leesproject gaat door. Teamleden kunnen blijvend beroep doen op coaching of methode-uitleg. Dat geldt vooral voor teamleden die voor het eerst met Leesweg-plus of Estafette beginnen. De interne begeleiders blijven leerlingresultaten verzamelen en terugkoppelen aan de leerkrachten om te sturen in de richting van de gekozen ambitie.
Bedankt Ria, Mieke, Ingrid en Mirjam voor jullie bijdrage.
Wilt u meer informatie over het LISBO-project, neemt u dan contact op met Cor Bakker (c.bakker@marant.nl, 0652 670 134)
LISBO
LISBO staat voor Lees Impuls Speciaal Basis Onderwijs en was een project van WSNS+ dat deel uitmaakt van het Masterplan Dyslexie. Het project richtte zich op het verbeteren van de resultaten op het gebied van vlot lezen en woordenschat. Een belangrijk doel bij de aanvang van het project (2003-2005) was dat de leesresultaten van 90% van de kinderen minstens twee AVI-instructieniveaus per jaar vooruit zouden gaan. Op basis van de positieve ervaringen werd besloten het doel aan te scherpen tot minimaal twee AVI-beheersingsniveaus per jaar. Binnen het project zijn de methoden Estafette en Leesweg-plus gebruikt. Ook de RALFI-aanpak is opgenomen in het project. Effectonderzoek van de Universiteit Utrecht (2005) laat zien dat bijna 95% van de betrokken kinderen een gemiddelde leesontwikkeling van 2,5 AVI-niveau per jaar lieten zien.
RALFI
RALFI staat voor:
- Repeated: herhaald lezen met tussenpozen
- Assisted: ondersteund door voorlezen, voorzeggen en bijwijzen
- Level: inzetten op een hoog leesniveau
- Feedback: directe neutrale feedback bij fouten en ook toegespitste positieve feedback
- Interaction en Instruction: plezierige interactie over de inhoud en vooral bij langere woorden gebruik maken van boogjes en prompts.
Bij deze aanpak worden kinderboeken en informatieve boeken en teksten gebruikt.